Tuin advies met foto's van de natuur, bloemen en planten.

Category: Planten (page 2 of 3)

 

Planten vormen een mooie verrijking voor de tuin. In deze rubriek vind je beschrijvingen en info over allerlei plantensoorten.

Eyonymus (deel 2)

Bladhoudende Euonymus

Zoals reeds vermeld in deel 1 kan men het geslacht Euonymus onderbrengen in twee groepen. Namelijk de bladverliezende en de bladhoudende, laatst genoemde is de grootste reeks. De wintergroene variëteiten groeien duidelijk trager en hebben merkelijk meer bladeren dan twijgen, opvallend is het vaak voorkomend bont blad. Het gebruik van deze sierstruik ligt hier ook anders, afhankelijk van de cultivar. Euonymus met klein blad wordt gebruikt als bodembedekking, klein haagje, omboordsel van een border, bloembakken of als klimplant.

Euonymus met groot blad is eerder geschikt voor de aanplanting als solitair of halfhoge haagjes. Door zijn eigenschap is deze minder geschikt voor bakken of als potplant en is een beschutte plek eerder aanbevolen gezien deze minder winterhard zijn.

Groeit op een goed vruchtbare en vooral goed doorlaatbare grond, schuwt een te vochtige bodem. Een standplaats in volle zon is aanbevolen voor de bevordering van de kleuren, doch gedijt eveneens op een plaats in de halfschaduw. Het snoeien van de plant kan gans het jaar door en de grotere soorten kunnen dienen als vormplanten.

De meest courante soorten zijn:

Euonymus fortunei “Coloratus”: groen elliptisch blad dat in de winter roodpurper verkleurt met een sterke spreidende groeiwijze, dienstig als klim- en kruipheester.

Euonymus fortunei “Vegetus”: struik met groen, eirond blad met een kruipende groeiwijze.

Euonymus fortunei “Emerald Gaiety”: bredere grijsgroene blaadjes die wit gerand en gevlekt zijn, bruikbaar voor lage haagjes en bodembedekking, groeit tot 50 cm. hoog.

Euonymus fortunei “Emerald ’n Gold”: zelfde eigenschappen als voorgaande, doch heeft geel gerande blaadjes.

Euonymus fortunei “Harlequin”: nieuwe cultivar met lichtgroen gevlamd wit blad, geschikt voor bodembedekking.

Euonymus fortunei “Radicans”: matgroene kleine blaadjes geschikt als bodembedekker.

Euonymus fortunei “Sunspot”: grote groene met geel gevlekte bladeren, breed groeiend.

Euonymus japonicus: grote groene eivormige tot ovale bladeren van 3 tot 5 cm. groot. Deze groeit tot 1m50 hoog en vormt een prima solitair of haagje.

Euonymus japonicus “Aureopictus”: zelfde kenmerken maar met geel blad dat met groen omrand is.

Euonymus japonicus “Aureus”: zelfde karakteristieken van bovenvermelde, doch heeft een geel gerand blad.

Euonymus japonicus “Microphyllus”: klein langwerpig groen blinkend blad, niet geheel winterhard, uiterst trage groei tot 50 cm. hoog.

Euonymus japonicus “Microphyllus Aureovariegata”: typerend als vorige, doch heeft geel gerande blaadjes.

Euonymus japonicus “Président Gauthier”: grote ovale bladeren, lichtgroen van kleur en wit gerand, bruikbaar als solitair, haagje en klimmer.

Vermeerderen door stekken.

Eyonymus

Bladverliezende Euonymus.

Het geslacht Euonymus is relatief groot hierdoor kan deze best onderverdeeld worden in twee groepen, namelijk de badhoudende en de bladverliezende sierstruiken. De wintergroene soorten vormen het grootste gamma en kunnen aangewend worden als klimplant, bodembedekking, solitair of borduur plant naargelang de cultivar. De bladverliezende variëteiten zijn eerder struiken of kleine bomen die aangeplant kunnen worden in de border of massieven. Dit zijn meestal opgaande struiken met een opvallende herfstverkleuring en zeer mooie vruchten die uit vier lobben bestaan. Heel remarquabel zijn de hoekige takken die bijna vierkant lijken door de 4 kurklijsten op de twijgen.

De plant kan aangeplant worden op een zanderige, goed doorlaatbare, vruchtbare bodem of leemgrond, een te zware of vochtige grond is minder geschikt. Als standplaats is een plek aanbevolen in volle zon of halfschaduw.

De meest courante cultivars zijn:

Euonymus alatus
Dit is een dicht vertakte bijna ronde struik met een gedrongen groei die tot 2 meter hoog kan worden. De twijgen zijn voorzien van 4 bruine kurklijsten, vandaar de bijna vierkante takken. Het blad is lichtgroen van kleur, langwerpig rond en 3 tot 5 cm. lang. In de herfst verkleuren de bladeren heel attractief van oranjerood tot geel. Bij deze plant groeien er nauwelijks of geen vruchten aan de takken.

Euonymus alatus ‘Compactus’
Een nog meer gedrongen sierstruik met eveneens een fraaie herfstverkleuring. Deze heeft dezelfde eigenschappen als bovenvermelde doch groeit niet hoger dan 1 meter.

Euonymus europaeus
Opgaande struik die tot een kleine boom kan uitgroeien tot 3 à 4 meter hoog. De groene takken zijn voorzien van hoekige en kurkachtige strepen. Het blad is lichtgroen en ellipsvormig van vorm en 3 tot 8 cm. lang. In mei bloeiend met witte kleine bijna onopvallende bloempjes. De vruchten zijn donkerroze van kleur met daarin fel oranje zaden.

Euonymus europaeus ‘Red Cascade’
Deze is meer geschikt voor de siertuin, groeit tot 2 meter hoog en breed. Laat zich onderscheiden door zijn tragere groei, de veelvuldige rode bessen en de overhangende twijgen .

Vermeerderen door zaad doch stekken is gebruikelijker.

 

Boomvarens

NATUURLIJKE OMGEVING
De exotische prehistorie is uniek in Australië en komt voornamelijk voor als onderbeplanting in verschillende soorten bebossing, langs rivieren, op hoogtevlaktes en in eucalyptus- en dennenbossen. Dicksonia Antarctica komen van de hoogtevlaktes van Tasmanië waar een koel zeeklimaat heerst op een hoogte tussen de driehonderd en duizend meter. Deze kunnen tegen strenge vorst in hun omgeving. Is een schaduw minnende plant, maar met voldoende vocht is hij ook geschikt voor zonnige locaties.

GROEIWIJZE
De D.A. wordt getransporteerd als kale stam met al de bladeren, wortels en grond. De hergroei wordt in gang gezet door de hele stam te bevochtigen en in het bijzonder de kop van de stam. U kunt er vanuit gaan dat U nooit teveel water kunt geven omdat dit langs de stam weer afgevoerd wordt.

BLADEREN
Vanuit de kop van de stam verschijnen de eerste bladeren in drie tot acht weken en zijn deze na het uitkomen ongeveer volgroeid. De bladeren komen in het voorjaar met tien tot dertig tegelijk afhankelijk van de stammaat. Individuele bladeren verschijnen het hele jaar door. Verdroogde bladeren moeten verwijderd worden, dit stimuleert de groei van nieuwe bladeren.

DE STAM
De lengtegroei van de stam is 3 tot 5 centimeter per jaar afhankelijk van zijn standplaats.

DE WORTELS
De relatie tussen de wortels en de stammaat is minder belangrijk dan bij andere planten. Bij een nieuwe aanplanting ontwikkelen de wortels zich vrij snel, maximaal 8 weken. De stam bestaat uit een netwerk van wortels welke belangrijk zijn voor de voedingstoffen.

TEMPERATUUR
In zijn natuurlijk omgeving varieert de temperatuur tussen –13° C. en + 35° C. In een buitensituatie of solitaire aanplanting kunnen temperaturen van –5° C. en kouder gemakkelijk doorstaan worden op voorwaarde dat de stam enkele weken de tijd heeft gehad om in te wortelen.

EXTREME VORSTSITUATIES
Wanneer de temperatuur onder de –5 ° C. gaat en er een strenge vorst in het vooruitzicht is, neem dan volgende voorzorgsmaatregelen.

Verwijder alle bladeren tot 10 cm. boven de kop van de stam.
In zijn natuurlijke omgeving werkt de vorm van de bladeren als een trechter van afgevallen bladeren van de bomen die in de omgeving staan. De composterende bladeren werken als isolatie gedurende de wintermaanden en worden in de lente door het nieuwe schot er weer uitgeduwd.
Dit proces kan worden verholpen door handmatig 15 cm. composterend blad of ander materiaal in de kop te plaatsen. Dit moet bij voorkeur in de herfst gebeuren.
Omwikkel de kop van de stam met een of ander isolerend materaal gedurende de strenge vorst periode.

BEPLANTINGS MOGELIJKHEDEN
Composterende luchtige grond bevordert de worteling van de stam. Gebruik hiervoor als alternatief een degelijke universele potgrond of plantputaarde. Als regel wordt de ¼ van de stam in de grond geplaatst, bij grotere maten kan hiervan afgeweken worden op voorwaarde dat de plant voldoende stabiel staat.

De Dicksonia Antarctica is eveneens geschikt als potplant, daar hij een klein wortelgestel heeft kan hij jaren in dezelfde pot blijven staan. Dit maakt dat deze eveneens geschikt is voor interieurbeplanting en huiskamers.

Olijfwilg

Elaeagnus kan onderverdeeld worden in twee groepen, namelijk de bladverliezende en de wintergroene. Echter van groot belang is de standplaats en de toepassing van dit gewas, namelijk de bladverliezende groeien veel sneller en zijn meer winterhard. Hierna volgt een bespreking van de belangrijkste soorten.

Bladverliezende Olijfwilg

Elaeagnus angustifolia: is eerder een grote struik die tot boom kan uitgroeien van 3 tot 5 m. hoog. Heeft zilvergrijze takken licht gedoornd met lancetvormige grijsgroene bladeren van 5 tot 8 cm. lang. De onderzijde van het loof is licht behaard en zilvergrijs van kleur. De bloei van gele bloempjes in mei – juni is bijna onopvallend, nadien manifesteren zich langwerpige vruchtjes. Deze kan aangeplant worden als haag of alleenstaand om een wilde tuin te creëren . Gedijt op arme en droge grond en is bestand tegen zeewind.

Elaeagnus commutata: grote heester die 5 m. hoog kan worden. De twijgen zijn ongedoornd, bruin van kleur en herkenbaar door hun afschilferende bast. Het blad is eirond en glanzend zilverkleurig aan beide zijden. De bloei is tevens van weinig of geen belang. De standplaats is dezelfde van hoger vernoemde en heeft de eigenschap zeer winterhard te zijn.

Bladhoudende Olijfwilg

Elaeagnus ebbingei: middelmatig snel groeiende sierstruik die in vrije vorm tot 3 m. hoog kan worden. Heeft een langwerpig rond blad, de bovenzijde is glimmend groen met minuscule witte stipjes en is onderaan zilverwit van kleur. Bloeit met wit geurende bloempjes in het voorjaar, doch de bloei is niet primerend. De sierwaarde is merendeels te danken aan zijn decoratief blad. In tegenstelling met de bladverliezende variëteiten, groeit deze op zijn best in een humusrijke en een meer voedzame bodem in volle zon of half schaduw. Bij zware vorst kan de plant beschadigd worden met bladverlies als gevolg. De toepassing is polyvalent, als solitair in de border, als afwisselende sierstruik in schermen en vooral als haagplant. Het gewas verdraagt zeer goed snoei en vormt hierdoor een uitstekende sierhaag.
Elaeagnus ebbingei ‘Limelight’: heeft dezelfde eigenschappen als voorgaande, doch de groei is iets trager. Het blad heeft een centraal geel gevlekt hart en is met groen omrand.

Elaeagnus pungens: groeit meestal niet hoger dan 2 m. hoog. Het blad is glimmend groen en aan de onderzijde zilvergrijs. De takken zijn bruin van kleur en licht gedoornd. In de praktijk zijn de bonte soorten meer van toepassing en is hierdoor de meest gangbare.

Elaeagnus pungens ‘Maculata’: heeft zelfde hoedanigheid als hoger vermelde. Hier is het blad in het midden geel gevlekt of gestreept met groene rand.

Vermeerdering: de bladverliezende door zaad, de wintergroene door stekken en enten.

Erica

Erica, beter gekend als heide, is een laagblijvende groenblijvende winterharde dwergheester. Door zijn kleurrijke en langdurige bloei zijn bekendheid verworven, de meest courante winterheide soorten bloeien echter van december tot begin mei.

Wordt veelvuldig aangewend als bodembedekking, verfraaiing van borders, rotstuinen, taluds en bloembakken. Qua standplaats is deze niet erg veeleisend en is een plaats in volle zon tot halfschaduw mogelijk. Niettegenstaande gedijen ze het best op een grond met een hoge zuurgraad (pH), dus een kalkvrije bodem. Groeien natuurlijkerwijze op een eerder arme grond, alhoewel een aanvulling van turf of heidegrond aanzienlijk zal bijdragen tot een betere groei en bloei.
Een uitzondering op de regel is de variëteit darleyensis, ontwikkelt makkelijker in alle grondsoorten en toont zijn bloemenpracht gedurende de eerste vier maanden van het jaar.
Calluna daarentegen is struikheide en duidelijk te onderscheiden door zijn zomerbloei en merkbare hogere groei.

De hieronder opgesomde soorten winterheide zijn de meest courante:
Erica carnea, bloemperiode december – april, laagblijvend.
Erica Aurea: roze met geel loof.
Erica December Red: donkerroos.
Erica March Seedling: roos.
Erica Myretoun Ruby: donkerroos.
Erica Praecox Rubra: donkerroze, vroeg.
Erica Snow Queen: wit, lagere groei.
Erica Springwood White: wit, hoog.
Erica Vivellii: donkerroos.
Erica Winterbeauty: laag, paarsroos.

Erica darleyensis, bloeiperiode januari – april, hogere groei.
Erica Darley Dale: dieproos.
Erica Silberschmelze: wit, zeer bloeirijk.

Vermeerdering door stekken en scheuren.

Epimedium

Geslacht van lage vaste planten met prachtige gespoorde bloempjes die in de april – mei ontluiken. Het loof bestaat uit sierlijke hartvormige blaadjes en is bij sommige soorten wintergoen. Epimediums komen voornamelijk voor in Azië en het Middellandse-Zeegebied, de meeste soorten zijn bij ons echter volkomen winterhard.

Standplaats
Epimediums groeien het best in humusrijke, lichtzure doorlaatbare bodem dat liefst matig vochtig blijft. Doorgaans zijn de planten echter tevreden met vrijwel elke grondsoort.

Gebruik

Als bodembedekker op schaduwrijke plekjes in de tuin. Ze zijn tevens te gebruiken als onderbeplanting in de border, rotstuin en zijn uitstekende planten voor een licht beschaduwde plaats.

Vermeerdering

Door te delen of scheuren in de lente of de herfst.

Soorten:

Epimedium acuminatum
Inheems in China, 30 cm hoog met lichtpaarse tot roze bloemen.

Epimedium alpinum
Herkomst: Zuid-Europa, 25 cm hoog met gele bloemen met karmozijnrode kelkbladen.
De planten lopen in bronskleurig uit en zijn wintergroen.

Epimedium x cantabrigense
Kruising tussen E. alpinum en E. pubigerum. Hoogte: 60 cm.
De binnenste kelkbladen van deze soort zijn rood de kroonbladen lichtgeel. Wintergroen.

Epimedium davidii
Herkomst: China, gele bloemen

Epimedium grandiflorum
Heel mooie soort uit Noord-China,Korea en Japan met opvallend grote bloemen.
Hoogte 30 cm. Deze soort is minder geschikt als bodembedekker.
‘Lilafee’: violetkleurige variëteit, ‘Rose Queen’: rose met witte lang puntige sporen, ‘White Queen’: grote zuiver witte bloemen.

Epimedium x perralchicum
Spontane kruising tussen E. pinnatum ssp. colchicum en E. perralderianum, gevonden te Wisley gardens in Engeland Hoogte: 45 cm. Wintergroen.
Dit is een echte aanrader als bodembedekker. De variëteit ‘Frohnleiten’ heeft grotere bloempjes.

Epimedium pinnatum
Herkomst: Turkije. Hoogte: 30 cm. Wintergroen. Gele bloemen met paarsbruine sporen.

Epimedium pubigerum
Inheems in Bulgarije en Turkije. Kleur: wit, lichtgeel. Hoogte: 30 cm.

Epimedium x rubrum
Kruising tussen E. grandiflorum en E. alpinum, deze plant loopt mooi bronskleurig uit en heeft nadien rode nerven in het blad. de bloemen zijn Wit – crème en rood.
Deze soort is ook een goede bodembedekker.

Epimedium x versicolor
Waarschijnlijk de meest voorkomende Epimedium in onze tuinen. de plant bereikt een hoogte van 30 cm en bloeit lichtroze met geel. De variëteit ‘Sulphureum’ heeft zwavelgele bloemen.

Epimedium x warleyense
Hybride tussen E. alpinum en E. pinnatum met geeloranje bloemen. Hoogte: 40 cm.

Epimedium x youngianum
Hoogte: 30 cm. ‘Niveum ‘: Witte bloei, ‘Roseum’: Roze bloei.
Tip: Bij de bladverliezende soorten haalt men best de verdorde bladeren van het vorig groeiseizoen weg in de lente, zodat de bloemen goed tot hun recht kunnen komen.

Cotinus

Pruikenboom is een opmerkelijke sierstruik, familie van de Anacardiaceae. Afkomstig uit het Middellands zeegebied, intussen aangewend in tuinen en parken voor zijn sierlijk aspect.

Deze bladverliezende halfgrote heester is aangewezen als solitair of contraststruik in de border. Door zijn hoedanigheid en de relatief snelle groei niet direct geschikt voor de kleine tuin. Niet enkel het blad maar tevens de bloei van pruikachtige bloempluimen maken dit gewas nog decoratiever.

Cotinus is een vrij sterke plant die weinig eisen stelt aan grond of standplaats doch een tamelijk vochtige en voedzame bodem is aanbevolen. De uiteinden van de takken kunnen soms invriezen. Plaats deze bij voorkeur op een beschutte, warme en zonnige plaats.
Desgewenst kan men door drastische en jaarlijkse snoei een compacte en gedrongen groei bekomen. Door weinig of geen snoei kan men anderzijds het gewas vrijuit laten groeien en hierdoor zijn natuurlijke habitus accentueren. Insnijden is ten koste van de bloemen, deze bloeien op tweejarig hout.

De meest courante cultivars zijn:
Cotinus coggygria.
Het blad is ovaal en licht groen dat in de herfst fel geel verkleurt en is 5 tot 8 cm. groot. Niettegenstaande zijn dichte groei kan deze uitgroeien tot 3 m. hoog. De bloei manifesteert zich door verlengde bloemstelen bedekt met lichtroze zijdeachtige haren die de plant als pruik bedekken in de maand mei.

Cotinus coggygria ‘Royal Purple’.
Deze cultivar heeft een donker purperen blad die in de herfst schitterend rood verkleurt. De takken zijn donker bruin en de bloei is minder opvallend met purperrode pluimen . De groei is minder fors dan voorgaande, doch kan in zijn natuurlijke vorm een hoogte van 2m50 bereiken.

Vermeerderen door stekken en afleggen.

Corylus avellana

De Corylus (hazelaar) is een gemakkelijke bladverliezende struik met een opgaande groei en kan uitgroeien tot een vrij groot exemplaar van 3 tot 4 m. hoog. De variëteit maxima is de groene of gewone hazelaar. ‘Purpurea’ of bruine hazelaar heeft een zwartpurper goed gevormd blad. Deze groeien praktisch op iedere grond, hechten weinig belang aan de bodemgesteldheid.

Worden aangeplant voor de vruchten, als sierplant in grotere tuinen en tevens gebruikt in de bloemsierkunst. Hoeven niet noodzakelijk gesnoeid te worden, doch wenselijk periodiek flink insnijden om de snelle groei af te remmen.

Daarentegen is de ‘Contorta’ een meer compacte en gedrongen heester die veel trager groeit en uiteindelijk een maximale hoogte en breedte van 2 m. bereikt. Naar verluidt werd destijds in Engeland een hazelaar aangetroffen met kronkelige takken, intussen sinds geruime tijd verspreid in menige siertuin. De krulhazelaar of kurkentrekker laat zich het meest opvallen tijdens de winter, zijn grillige aard en gedraaide takken zijn pas echt zichtbaar na het vallen van het blad. Zijn sierlijkheid is een echt natuurlijk kunstwerk door zijn merkwaardige kringelende takken.
De hangende gele katjes luiden het voorjaar in en maken deze plant nog attractiever. Het nogal armzalig blad doet soms vrezen dat zich een of andere aantasting of ziekte heeft meester gemaakt van deze plant. Maar dit is zeker niet het geval, de bladeren groeien namelijk zoals de takken, gedrongen en grillig. Hazelnootjes verschijnen eveneens op deze cultivar maar in mindere mate dan bij de twee bovenvermelde soortgenoten.

De gewone Corylus vermeerderen door gestratificeerd zaad, de krulhazelaar enkel door te enten.

Corylopsis

Om onze tuin te verfraaien of een goed evenwicht te geven is het belangrijk bloeiende struiken te hebben gans het jaar rond. Vanaf de vroege lente tot in het late najaar kunnen we genieten van de bloeiwijze, de grillige groei, het sierlijk blad of de prachtige herfstverkleuring. Uiteindelijk een streling voor het oog. Hierbij benadrukken we dat er tevens sierheesters bestaan die in de winter bloeien.

De Corylopsis pauciflora (schijnhazelaar, familie Hamamelidaceae) heeft eveneens een vroege bloei, in maart – april verschijnen reeds de eerste bloemen. Lichtgele klokvormige bloemen hangend aan trosjes verschijnen voor het uitlopen van het blad.

Deze sierstruik lijkt op een hazelaar, maar laat zich onderscheiden door zijn extra fijne takken. Afkomstig uit de Oostelijke contreien is dit gewas geschikt in onze tuin als solitair of anderzijds beplanting in groepjes. Door zijn trage groeiwijze wordt hij nauwelijks hoger dan 1m 50. Snoeien is hierdoor eerder beperkt tot het wegknippen van oudere takken of verjonging, liefst na de bloei.

Het blad ontluikt na de bloei, roodbruin van kleur en wordt nadien heldergroen. Het eirond spits en gekarteld blad oogt mooi in de zomer en vertoont tevens mooie herfsttinten. Dit gewas is het best geschikt op een schaduw, halfbeschaduwde en licht beschutte standplaats. Een humusrijke, vruchtbare en vochthoudende bodem is aan te bevelen.

Corylopsis spicata daarentegen heeft een veel sterkere groei en kan een heester van 2 tot 2m50 hoog en breed worden. Zijn behaarde twijgen en grotere bladeren maken een duidelijk verschil met de hoger vermelde variëteit. De bloemen hebben iets langere trosjes doch kleiner en minder openstaand.

Vermeerdering door stek.

Pampasgras

Cortaderia of pampasgras is een grasachtige plant, familie van de Gramineae, dus een siergras. Oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Amerika en Nieuw-Zeeland. Een fraai gewas dat zijn beste kanten pas toont in het najaar door zijn opmerkelijke bloei met pluimen. Niet direct toepasselijk voor een kleine tuin, eerder dienstdoend als solitaire aanplanting.

Pampasgras is een siergras met lange smalle, stugge, grasachtige bladeren, grijsgroen van kleur. De scherpe rand van deze grashalmen snijden en kunnen verwondingen aanbrengen. De groeiwijze is dusdanig snel dat deze op een grote graspol gaat lijken, concreet betekent dit dat de plant bijna jaarlijks in omvang verdubbelt. Hierdoor eerder geschikt voor de grotere tuin gezien Cortaderia uiteindelijk tot 3 meter hoog en breed kan uitgroeien.
In de zomer groeien stengels uit de plant recht omhoog, waaruit in het najaar zilverachtige of witte pluimen ontluiken, die tot 50cm. lang kunnen zijn. De lange stengels met de grote pluimen geven deze plant een statig en uitstoelend karakter. De bloeiperiode is vanaf september tot november, afhankelijk van de weersomstandigheden en de variëteit.

Men kan de pluimtakken afknippen en in een vaas plaatsen om de woning te versieren, ze laten drogen garandeert een langere houdbaarheid.

De plant kan tweehuizig zijn, de vrouwelijke plant heeft zilverwitte pluimen, de mannelijke eerder grijze pluimharen.
Doch de meeste zijn geselecteerde cultivars en soortgelijk.
De bladeren en de stengels drogen tijdens de winter geheel in, dus zeker geen wintergroen gewas. Doch in het voorjaar zullen nieuwe grashalmen weer de kop op steken.

Cortaderia is niet geheel winterhard, vooral jonge planten kunnen bij zware vorst schade oplopen. Bescherming van de plant is sterk aanbevolen tegen felle ijselijke wind, hiervoor bestaan echter 2 mogelijkheden. De plant afknippen op 15 à 20 cm. van de grond en afdekken met een dikke laag, natuurlijke isolatie, stalmest of compost. Anderzijds niet afknippen, samenbinden en omwikkelen met een rietenmat. Belangrijk hierbij is dat het hart van de plant dat zich in de bodem bevindt niet kan bevriezen.

Als standplaats is een goed doorlaatbare, gedraineerde, vruchtbare grond aanbevolen. De plant schuwt vocht en groeit beter op een droge, zonnige en warme bodem.

Vermeerderen door te delen in het voorjaar.

De meest courante soorten zijn:
Cortaderia selloana: witte pluim, bloeit van augustus tot oktober en groeit tot 3 meter hoog.

Cortaderia selloana ‘Pumila’: witte pluim, van augustus tot november, heeft een meer compacte groei tot 1m50.

Cortaderia selloana ‘Rosea’: donkerwitte pluimaren met roze schijn, bloeit van augustus tot november met een groei tot 2 meter.

Older posts Newer posts

© 2020 Tuinindex.be